De
vruchtbaarheidsproblemen bij de man gaan bijna altijd gepaard met
afwijkingen aan het sperma zoals:
1. geen of zeer weinig zaadvloeistof
2. geen of zeer slecht bewegende zaadcellen
3. zaadcellen met afwijkende vorm zoals
kop en staartafwijkingen
4. antistoffen tegen zaadcellen
5. ontstekingscellen
Afwijkingen aan het sperma
Om te weten te komen of er afwijkingen aan het sperma zijn, heeft
de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO = World Health Organization)
een handboek uitgebracht, waarin genoemd staat hoe sperma moet worden
geanalyseerd en wat de normale uitkomsten zijn bij vruchtbare mannen.
Normale waarden van het spermaonderzoek
concentratie
|
meer
dan 20 miljoen per milliliter |
totale
aantal |
meer
dan 40 miljoen |
beweeglijkheid
|
meer
dan 50% |
vorm |
meer
dan 14% normale vormen |
Te weinig of geen zaadcellen betekent dus
dat er minder dan 20 miljoen zaadcellen tot zelfs 0 zaadcellen
per milliliter in het sperma worden geteld of dat het totale
aantal zaadcellen in een zaadlozing lager is dan 40 miljoen.
Vaak is het zo dat, wanneer er te weinig zaadcellen in het sperma
geteld worden, deze zaadcellen slecht bewegen en vaak een abnormale
vorm hebben. |
 |


Te weinig zaadcellen |
Veel lastiger is het om te weten te komen waarom het zaad afwijkend
is. Heel vaak is er geen verklaring te vinden. Men kan dan alleen
vermoeden dat er iets in de zaadbal mis is. In de volgende paragrafen
zullen evenwel een aantal aandoeningen besproken worden en de gevolgen
op de zaadkwaliteit.
Is het waar dat de kwaliteit
van het sperma achteruitgaat?
In 1992 werd door Deense onderzoekers gepubliceerd, dat over een
periode van 1938 tot 1990, een duidelijke afname van de concentratie
van zaadcellen kon worden waargenomen bij gezonde vruchtbare mannen.
Sindsdien zijn er vele studies verschenen over de kwaliteit van
het zaad. Deze studies blijken elkaar echter soms tegen te spreken.
Sommige studies bevestigen niet alleen de afname van de zaadcel
concentratie maar tonen ook aan dat er een afname is van het totale
aantal bewegende zaadcellen en eeen toename van het aantal zaadcellen
met abnormale vormen. Andere studies tonen in het geheel geen veranderingen
aan. Zeer opmerkelijk is dat in geen enkele studie, waarin veranderingen
van zaadkwaliteit zijn beschreven, gesproken wordt over een afname
van de vruchtbaarheid.
Naast de mogelijk afgenomen zaadkwaliteit zijn er aanwijzingen dat
er de laatste jaren meer mannen zijn met een kwaadaardig gezwel
van de zaadbal. Ook lijkt het er op dat meer jongetjes geboren worden
bij wie de zaadballen zich niet in de balzak bevinden (=cryptorchisme)
en dat er meer jongetjes zijn bij wie de uitgang van de plasbuis
zich op een andere plaats bevindt (=hypospadie). Ofschoon over deze
onderwerpen de verschillende studies elkaar ook niet altijd bevestigen,
is er voldoende reden tot bezorgdheid.
Het interessante nu is dat alle bovengenoemde afwijkingen op identieke
wijze verklaard zouden kunnen worden. Wanneer een vrouw, die zwanger
is van een mannelijk foetus, dan zou, wanneer vrouwelijke hormonen
via de baarmoeder het jongetje bereiken, deze hormonen zoveel schade
kunnen doen dat niet alleen bij de geboorte, maar ook op volwassen
leeftijd de gevolgen merkbaar zijn.
Een fraai voorbeeld hiervan zijn de studies met DES. Uit deze studies
is bekend geworden dat de behandeling van zwangere vrouwen met het
synthetisch, dus door de mens kunstmatig gemaakt oestrogeen DES
= diethylstilbestrol, geassocieerd is met een toename van het voorkomen
van cryptorchisme, hypospadie en een verminderd spermavolume en
concentratie bij de zonen van deze vrouwen. DES werd destijds gegeven
ter voorkoming van abortussen en complicaties tijdens de zwangerschap.
Men heeft evenwel tot op heden niet kunnen vaststellen dat er ook
een afname van de vruchtbaarheid is ontstaan bij mannen, die in
de baarmoeder blootgesteld zijn geweest aan DES.
De "oestrogeen" hypothese lijkt in sommige opzichten gesteund
te worden door studies bij in het wild levende dieren. In haar boek
"Our Stolen Future" beschrijft Theo Colborn op fascinerende
wijze dat een aantal wilde dieren wordt bedreigd om zich voort te
planten, zoals panters (minder kwaliteit sperma) en schildpadden,
er geslachtsafwijkingen gevonden zijn bij alligators (kleine penis)
en vissoorten (tweeslachtigheid), dat de otter aan het verdwijnen
is evenals arenden, dat bepaalde meeuwen soorten een ander voortplantingsgedrag
(lesbisch) vertonen naast nog vele andere waarnemingen. Als belangrijkste
verklaring voor al deze waarnemingen wordt door Theo Colborn genoemd
het voorkomen van giftige stoffen in ons milieu, die het hormonale
regelsysteem van de voortplanting kunnen ontregelen.
Er zijn inmiddels duidelijke aanwijzingen dat deze omgevingsfactoren
stoffen zijn met oestrogene (= vrouwelijk hormoon) werking, waardoor
met name mannelijke dieren in hun voortplantingsvermogen worden
bedreigd.
De blootstelling aan oestrogenen in het millieu kan op velerlei
wijzen geschieden, onder andere via:
1. dieet
2. drinkwater
3. lucht
4. huid
De blootstelling beperkt zich niet alleen tot de kleine groep van
geneesmiddelen, maar strekt zich uit naar verschillende groepen
van stoffen, die dagelijks worden toegepast in de industrie, landbouw,
of thuis. Stoffen, waarvan bekend is dat ze een oestrogene werking
hebben, zijn onder andere:
1. ftalaten (in: plastics, inkt, kaas,
margarine)
2. alkylfenolen (in: detergentia, shampoo,
cosmetica)
3. bisfenol A (in: plastic voor verpakking
van voeding en dranken)
4. pesticiden
5. PCB's (in: transformatoren)
Een belangrijk probleem is te bepalen welke stoffen een oestrogene
werking hebben. Bovendien is slechts van een klein aantal stoffen
bekend welke activiteiten ze op het hormonale systeem hebben.
Tenslotte moet niet uit het oog verloren worden dat de verklaring
voor een bedreiging van de voortplantings functies bij de mens er
slechts een hypothese is en dat het bewijs dat blootstelling aan
"oestrogenen" in de baarmoeder hiervoor verantwoordelijk
zijn nog geleverd moet worden.
|
 |
  |
 |
|