|
De zaadlozing bestaat uit 2 elkaar opvolgende
reflexen:
1. het
transport van zaadcellen en zaadvloeistof naar de plasbuis
2. de
uitstoot van het sperma uit de penis.
| Zenuwprikkeling
van de zaadleider en de zaadblaasjes leidt tot transport van
de inhoud in de richting van het begin van de plasbuis. Op dit
moment sluit de blaasuitgang zich, zodat het sperma niet in
de blaas terecht kan komen. Als het begin van de plasbuis volloopt
met sperma ervaart de man zijn seksuele hoogtepunt. Op dit moment
is de zaadlozing niet meer te stoppen, opent zich de sluitspier
van de plasbuis en wordt dankzij ritmische contracties van de
bekkenbodemspieren het sperma naar buiten gestoten. |

zenuwen van de bekkenbodem |
In de baarmoedermond
Het eerste gedeelte van de zaadlozing bevat vooral zaadcellen en
prostaatvocht, het tweede gedeelte vooral vocht uit de zaadblaasjes.
Belangrijk is dat zoveel mogelijk zaadcellen terecht komen bij de
baarmoedermond, boven in de vagina. Hiervoor is nodig een goede
erectie en een goede uitstoot van het sperma uit de penis. Zaadcellen
kunnen niet lang overleven in het zure milieu van de vagina een
dienen daarom zo snel mogelijk hun weg te vinden naar het slijm
van de baarmoedermond, waarin ze wel 2 dagen kunnen overleven. Het
vocht uit de zaadblaasjes is bedoeld om de zuurgraad van de vagina
zoveel mogelijk te neutraliseren.
|
 |
  |
 |
|