Genetisch onderzoek

Genetisch onderzoek

Het erfelijkheid – genetisch onderzoek

Mannelijke vruchtbaarheidsstoornissen kunnen genetisch zijn bepaald. De kans op een genetische afwijking neemt toe als de zaadkwaliteit afneemt. Bij mannen met minder dan 1 miljoen zaadcellen per ml wordt bij ongeveer 20% een genetische afwijking gevonden. Dit percentage kan de komende jaren nog verder toenemen als meer onderzoeksresultaten bekend worden.

Een genetischĀ onderzoek is aangewezen als er een slechte spermakwaliteit is zonder bekende oorzaak, als er bij lichamelijk onderzoek afwijkingen worden gevonden die kunnen passen bij een genetische afwijking (bijvoorbeeld afwezigheid van de zaadleiders) en als er in de familie erfelijke ziektes voorkomen of onvruchtbaarheid.

Het onderzoek naar genetische afwijkingen bij verminderd vruchtbare mannen is de laatste jaren in volle gang, mede als gevolg van de nieuwe voortplantingstechnieken zoals de ICSI-behandeling. Duidelijk is dat mannen met slecht sperma (minder dan 1 miljoen bewegende zaadcellen per milliliter of zeer veel afwijkende zaadcellen) een genetische afwijking kunnen hebben, die de oorzaak is van de vruchtbaarheidsstoornis en kan worden overgedragen naar het nageslacht met behulp van voortplantingstechnieken. Hoe slechter het sperma, des te groter de kand op een genetisch defect.

Het genetisch onderzoek

Het genetisch onderzoek bestaat uit 2 onderdelen:

  1. de karyotypering
  2. DNA-onderzoek

Bij karyotypering worden alle chromosomen van een cel, meestal een bloedcel, gekleurd en onder de microscoop geteld en afzonderlijk onderzocht. De voornaamste afwijkingen die gevonden kunnen worden zijn: een afwijkend aantal chromosomen (normaal is 46 chromosomen) of een afwijking aan een of meerdere chromosomen, zoals het ontbreken van een stukje chromosoom, dat verplaatst kan zijn naar een ander chromosoom (=translocatie) of verloren is gegaan (=deletie). Afwijkingen worden vooral gevonden bij mannen zonder zaadcellen, waarbij 1 van de 2 geslachtschromosomen geheel of gedeeltelijk ontbreekt of dubbel is aangelegd.

Syndroom van Klinefelter

Het syndroom van Klinefelter is het meest bekende voorbeeld: patiƫnten met deze aandoenig hebben 2 vrouwelijke geslachtschromosomen in plaats van 1, de zaadbalfunctie is daarom slecht en meestal ontbreekt de zaadcelproduktie. Indien er een deel van het mannelijk (Y)chromosoom ontbreekt kan dit consequenties hebben voor de zaadbalfunctie en de spermaproduktie. Ook verplaatsing van een stukje chromosoom naar een ander chromosoom (=translocatie) kan invloed hebben op de vruchtbaarheid: herhaalde miskramen kunnen het gevolg zijn of kinderen met meerdere aangeboren afwijkingen. Dergelijke translocaties kunnen voorkomen bij meerdere familieleden, zodat het belangrijk kan zijn om te weten of in de familie verminderde vruchtbaarheid voorkomt of kinderen met aangeboren afwijkingen.

Genetisch onderzoekDNA-diagnostiek

De laatste jaren is met name de DNA-diagnostiek in opkomst: steeds meer ziektebeelden blijken genetisch bepaald en voor een aantal ziektes is gevonden dat een klein stukje chromosoom, het gen, niet goed functioneert. Een voorbeeld is de taai slijmziekte, een genetische afwijking van een gen van chromosoom nummer 7. Dit slecht werkende gen veroorzaakt taai slijm in onder andere de luchtwegen en de alvleesklier. Verstoppingen van deze organen leiden tot chronische infecties van de longen en verlies van longweefsel (=emfyseem) en tot darmstoornissen met groeiproblemen op jeugdige leeftijd. In veel gevallen is ook de bijbal en de zaadleider betrokken bij deze aandoening: door taai slijm kan er en ontwikkelingsstoornis ontstaan van de bijbal en de zaadleider en is onvruchtbaarheid het gevolg. Omdat er wel zaadcellen geproduceerd worden in de zaadbal kan met behulp van de ICSI-behandeling soms een zwangerschap worden bereikt. Het gevolg kan zijn dat er een vorm van taai slijmziekte zich openbaart bij het kind. Onderzoek voorafgaande aan een dergelijke behandeling is dus noodzakelijk om dit type genetische ziektes te voorkomen.

Een gen voor spermaproduktie

Onlangs is op het mannelijk chromosoom het gen gevonden dat belangrijk is voor de spermaproduktie, het AZF-gen. Kleine schrijffouten in de volgorde van de DNA-moleculen (mutaties) leidden tot stoornissen in de zaadcelproduktie: deze is onvolledig en onvoldoende aanwezig. Bij 5-15% van de mannen met slechte spermakwaliteit worden mutaties van het AZF-gen gevonden. Deze afwijkingen zullen ook overgedragen worden aan de mannelijke nakomelingen, die later ook dezelfde vruchtbaarheidsproblemen zullen ontwikkelen. Met behulp van bloedonderzoek kan een chromosomen onderzoek plaatsvinden en DNA-testen worden verricht. Dit onderzoek is tijdrovend en de uitslag laat vaak enkele maanden op zich wachten. Indien er afwijkingen worden gevonden is een gesprek met een klinisch geneticus aanbevolen voordat gestart wordt met voortplanting.